Blog

  • Planeten op een rij

    Planeten op een rij

    Wij wonen op de aarde. De aarde is de derde planeet van ons zonnestelsel. In totaal zijn er acht planeten die allemaal om de zon draaien. Eigenlijk staan alle planeten op een rij. Dit zijn: Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. Tussen al die planeten zit de ruimte. Heel veel ruimte. In dit proefje ga je een model maken van het zonnestelsel en zet je de planeten op een rij. Je gaat meten en zien wat de afstand is tussen de verschillende planeten.

    Nodig:planeten op een rij

    • stuk touw van 5 meter lang.
    • grote knoop of kraal (voor de zon)
    • 8 kleinere kralen (voor de planten)
    • meetlint
    • potlood
    • schaar
    • vel papier
    • plakband

    Stappen:

    De ruimte tussen de planten is in het echt heel groot. We gaan een model maken dat een stuk kleiner is. Dat heet een schaalmodel. De afstand tussen de planeten is zo groot dat we voor het schaalmodel gebruik maken van een rekensommetje. Elke centimeter touw is in het echt 10 miljoen kilometer. De planeten kunnen we niet zo klein maken. Als we dat wel doen worden ze zo groot als een korrel zout.

    Alle planeten hebben eigen kleur. Voor Mercurius kan je geel gebruiken en voor Venus oranje. De aarde is natuurlijk blauw en de planeet Mars ziet er rood uit. Jupiter en Saturnus zijn wat grotere planeten, dus je mag ook wat grotere kralen gebruiken. Jupiter ziet er oranje en bruin uit en Saturnus is beige. De grootte van Uranus en Neptunus zit tussen Jupiter en de Aarde in. Uranus is licht groen en Neptunus is blauw (of paars). Natuurlijk kan je ook je eigen kleuren gebruiken. Maak het lekker vrolijk.

    Als eerste maak je het centrum van het zonnestelsel vast: De zon. Het leukst is het als je een grote gele kraal of knoop kan gebruiken. Zorg dat hij goed vastzit.

    Het is belangrijk dat de zon goed vastzit. Als we de planten gaan vastmaken, meten we eerst de afstand. Dat doe je steeds vanaf de zon. Je meet dus (nog) niet de afstand tussen de planeten.

    Leg nu je meetlint langs het touw. Op 6 centimeter van de zon kan je de eerste kraal (een kleintje) vastmaken. Dit is Mercurius. In het echt ziet Mercurius er geel uit, dus gebruik een kleine gele kraal als je die hebt.

    Met Mercurius op z’n plek kan je oranje kraal gebruiken voor Venus. Je meet nu 11 centimeter vanaf de zon en knoopt de kraal vast. Voor de andere planeten neem je de volgende afstanden:

    Aarde 15 cm
    Mars 28 cm
    Jupiter 78 cm
    Saturnus 143 cm
    Uranus 287 cm
    Neptunus 450 cm

    Als je alle planeten op hun plek hebt vastgeknoopt, mag je ze een naam geven. Je schrijft met je potlood de naam van de planeet op je vel papier. Knip hier vervolgens kleine naamkaartjes van. De naamkaartjes kan je vervolgens bij de planeten plakken.

    Vragen:

    1. Als de planten hangen kan je narekenen wat de echte afstanden zijn. Op hoeveel miljoen kilometer staat de Aarde van de zon?
    2. En Mars en Neptunes?
    3. Pluto is geen planeet meer, maar een dwergplaneet. Als je Pluto ook op je touw wil knopen, hoeveel meter lang denk je dat je touw dan moet zijn?

    Meer weten?
    Je kunt heel veel meer leren over ons zonnestelsel door ernaar te kijken. Er zijn zelfs clubs en verenigingen voor kinderen die het leuk vinden om naar sterren en planten te kijken. De Jongerenwerkgroep voor sterrenkunde is zo´n club. Ze organiseren vaak leuke dingen over de ruimte.

    Wist je in de stad of een dorp veel minder sterren en planeten ziet dan buiten de stad? Als je op vakantie bent lijkt het soms of er veel meer sterren zijn. Onze vrienden van Het Klokhuis hebben onderzocht waarom dat is. Ze zijn daarvoor speciaal naar een van de grootste telescopen van de wereld gegaan.

  • Weekend van de Wetenschap

    Weekend van de Wetenschap

    Kom op 3 en 4 oktober naar het Weekend van de wetenschap. Het Weekend van de Wetenschap is het podium van de toekomst. Hier beleef je live wetenschap & technologie. Kom backstage bij bedrijven, instituten, universiteiten, kennisinstellingen en musea op meer dan 200 locaties in heel Nederland. Nieuwsgierige mensen kijken op www.hetweekendvandewetenschap.nl.

    Weekend van de WetenschapTijdens het Weekend van de Wetenschap kan je op meer dan 200 locaties een kijkje nemen terwijl dat normaal niet kan. Je mag bijvoorbeeld backstage bij het Douane Laboratorium of bij de Rotterdamse haven. Ook kunnen bezoekers bij ESA/ESTEC alleen gedurende dit weekend naar testruimtes die anders gesloten zijn voor publiek. Hier kun je testmodellen bekijken van satellieten die in de ruimte zijn geweest of misschien loop je wel een astronaut tegen het lijf.

    Bij wetenschapsmusea en science centra duiken de pop‐up wetenschappers op om te vertellen over hun ontdekkingen en om vragen te beantwoorden. Op locaties door heel Nederland zijn verschillende exclusieve activiteiten georganiseerd zoals experimenten, voorstellingen, lezingen en tentoonstellingen.

    Ontdek waar je allemaal binnen mag kijken op www.hetweekendvandewetenschap.nl.

     

     

  • Welke kant is dominant?

    Welke kant is dominant?

    In je hoofd zitten je hersens. Je hersens sturen je lichaam aan. In dit proefje gaan we kijken hoe je hersens en je lichaam samenwerken. We gaan kijken welke kant van je lichaam dominant is door een aantal kleine testjes. Zo kan je bijvoorbeeld zien of je schrijft met je linker- of rechterhand. Met welke voet je schopt, welk oog er dominant is. Misschien gooi je wel met de ene kant van je lichaam, maar schop je met de andere. Tijd om die vragen te beantwoorden.

    Nodig:linkshandig rechtshandig dominant

    • pen of een potlood
    • schrijfblok of papier voor aantekeningen
    • koker of lege rol keukenpapier
    • beker met water
    • tennisbal

    Stappen:

    Neem een blad van je schijfblok. Voor elk proefje schrijf je op welk lichaamsdeel je test, je oog, hand of voet. Na elk proefje schijf je ‘links’ of ‘rechts’ op, afhankelijk van welke kant je gebruikt.

    Ogen
    We doen eerst drie proefjes met je ogen. Na elk proefje schrijf je op of je links of rechts gebruikt.

    1. Probeer eens te knipogen. Welk oog gebruik je?
    2. Pak de koker en zet hem voor je oog. Welk oog gebruik je als je door de koker kijkt?
    3. Strek nu je armen naar voren en maak een driehoek met je wijsvingers en duim. Schuif je handen over elkaar zodat de opening niet groter is dan een muntje van een euro.
      Blijf je armen strekken en kijk nu door het gaatje tussen je handen naar een klein voorwerp in de kamer. Probeer nu eerst alleen je linkeroog dicht te doen en daarna alleen je rechteroog. Als je zicht op het voorwerp veranderde toen je je linkeroog dichtdeed, schrijf je ´links´ op. Als je zicht veranderde toen je je rechter oog dicht deed, schrijf je rechts op.

    Handen en armen
    Nu zijn we klaar met je ogen en gaan we testen welke hand en arm er dominant zijn. Ook hier doen we weer drie proefjes.

    1. Welke hand gebruik je om te schijven? Links of rechts?
    2. Zie je de beker water staan? Pak hem op. Welke hand heb je nu gebruikt, links of rechts?
    3. Pak de bal en gooi hem weg. Welke hand heb je gebruikt om de bal weg te gooien?

    Voeten en benen
    Tot slot gaan we ook kijken naar je benen en voeten. We doen twee kleine proefjes om te kijken welk been er dominant is.

    1. Ren een stukje naar voren en spring omhoog. Welk been heb je gebruikt om af te zetten?
    2. Heb je die bal nog in de buurt? Leg hem voor je voet en geef er een schop tegen. Welke voet heb je nu gebruikt? Links of rechts?

    Kijk nu op je briefje. Heb je bij je oog, hand en voet het meest links of rechts opgeschreven? Verschilt dat nog per lichaamsdeel?

    Meer weten?

    Van alle mensen op de wereld gebruikt bijna 90% zijn rechterhand het liefst. Daar is al best wat onderzoek naar gedaan, maar wetenschappers weten nog niet precies waarom dat zo is.

    Niet iedereen die zijn rechterhand gebruikt, gebruikt ook zijn rechtervoet. Van alle mensen heeft 80% de voorkeur voor de rechtervoet. Bij ogen is die groep nog iets kleiner, want 70% van alle mensen heeft een dominant rechteroog. Het kan dus heel goed zijn dat je rechterhand dominant is, maar je linkervoet.

    Bij Willem Wever is er een filmpje waarin ze onderzoeken waarom mensen links- of rechtshandig zijn. Wist je trouwens dat er een speciale website is voor mensen die linkshandig zijn? Kijk maar eens op www.linkshandig.info.

  • Hoe groot zijn je longen?

    Hoe groot zijn je longen?

    Hoeveel lucht past er eigenlijk in je longen? Evenveel als in een tennisbal? Een voetbal? Misschien zelfs een basketbal? In dit proefje gaan we onderzoeken hoe groot je longen zijn. Dat gaan we meten door te onderzoeken hoeveel lucht er in je longen past.

    Nodig:

    • schone rubber slang
    • grote fles van 2 liter
    • plastic bak
    • water
    • stift

    Hoe groot zijn je longenStappen:

    Zet alle spullen bij elkaar. Kijk ook nog even goed of de slang schoon is. Je gaat er straks op blazen.

    Vul daarna de bak met ongeveer 10 centimeter water. Vul ook de fles met water. Zorg dat hij helemaal tot de rand gevuld is. Doe er daarna je hand op en draai hem om. Als je goed duwt, kan er geen water ontsnappen.

    Zet de fles nu ondersteboven in de bak met water. Pas als je de onderkant onderwater hebt, mag je je hand weghalen. Anders loopt hij alsnog leeg. Hou de fles met een hand vast en schuif met je andere hand een uiteinde van de slang in de fles.

    Haal nu diep adem. Blaas zoveel lucht als je kan in het slangetje. Je kan met een stift een streepje op de fles zetten tot waar de lucht is gekomen.

    Vul de fles weer en laat iemand anders blazen. Zet ook daar een streepje. Ga door tot iedereen geweest is.

    Vragen:

    1. Wat gebeurt er als je op het slangetje blaast?
    2. Hoeveel lucht zit er in de fles? Hoe denk je dat je dat kan meten?
    3. Hoeveel lucht zit er in je longen?
    4. Heeft iedereen evenveel lucht in z’n longen?

    Meer weten?

    Als je in het slangetje blaast, blaas je lucht uit je longen in de fles. Die lucht duwt het water uit de fles. Als je eerst diep hebt ingeademd en bent blijven blazen tot je echt niet meer kon, dan weet je nu ongeveer hoeveel lucht er in je longen past. Wil je meer lezen over je longen? Dan kan je dit stukje over longen lezen op de pagina van WikiKids. Bij het longfonds weten ze ook heel veel over longen. Ze hebben daar ook een filmpje gemaakt waarin ze laten zien hoe ze precies werken.

  • Maak een luchtballon

    Maak een luchtballon

    Als het weer zonnig en helder is zie je vaak luchtballonnen voorbij zweven. Je kunt zelf ook een luchtballon maken. Er hoeven echt geen mensen in een mandje aan te hangen, maar het is wel leuk als hij heel hoof de lucht ingaat. In dit proefje maak je een luchtballon.

    Nodigeen luchtballon maken

    • 1 vuilniszak of grote plastic tas
    • föhn
    • touw
    • drinkrietjes
    • plakband
    • schaar

    Stappen
    Vraag eerst aan een volwassene of je de föhn mag gebruiken.

    Maak daarna met de drinkrietjes en plakband een mandje. Zorg dat er een boog is over het midden, zodat je hem straks aan de ballon vast kan maken. Maak een stuk touw vast aan de boog. Zorg wel dat er genoeg over is om straks vast te maken aan de luchtballon.

    Pak de föhn en je plastic zak of vuilniszak. Keer de zak om zodat de opening van de zak aan de onderkant zit en maak de opening met je hand klein. Steek de föhn in de kleine opening. Als je de zak goed vasthoud, is past de föhn precies.

    Zet de föhn aan en vul de luchtballon met lucht. Als hij begint te trekken kan je het mandje vastmaken en hem loslaten. Hop, hop en omhoog!

    Vragen

    1. Ging de luchtballon goed omhoog? Hoe hoog?
    2. Waarom denk je dat de hete lucht omhoog ging?
    3. Wat denk je dat er gebeurd als er meer of minder hete lucht in gaat?
    4. Heb je een foto? Stuur die dan via Twitter of Instagram!

    Meer weten?
    Luchtballonnen kan je nu best vaak zien. Maar vroeger niet. Je kunt hier meer lezen over de geschiedenis van de luchtballon en hoe de grote ballonnen in elkaar zitten. Wist je dat ook Thomas de Trein wel eens met een luchtballon is geweest? Een vader in Amerika heeft samen met zijn zoon dit filmpje gemaakt over de ruimtereis van Thomas.

  • Vloeistoffen mengen

    Vloeistoffen mengen

    Sommige vloeistoffen mengen heel goed samen, zoals limonade en water. Andere vloeistoffen mengen niet, zoals water en olie. Maar wat als je twee vloeistoffen mengt die heel anders zijn? In dit leuke scheikundeproefje gaan we melk en cola met elkaar mengen.

    Nodigvloeistoffen mengen

    • erlenmeyer van 500 ml (of een flesje)
    • kurk (of dop van fles)
    • 400 ml cola
    • 100 ml melk

    Stappen
    Giet de cola heel rustig in de erlenmeyer. Je kan de erlenmeyer best even schuin houden, anders gaat het heel erg schuimen. Als de cola er in zit, giet je er ook heel langzaam en voorzichtig een beetje melk bij.

    Als de melk er ook in zit, zet dan de kurk op de erlenmeyer en draai je hem rustig rond. Zet daarna de erlenmeyer weer neer. Zet de erlenmeyer op een plekje waar hij niet in de weg staat. Je kan nu de eerste twee vragen beantwoorden. Voor de andere vragen moet je een dag wachten.

    Als je een dag later komt kijken zie je dat het er anders uitziet.

    Vragen

    1. Wat zie je als je de melk bij de cola doet?
    2. Wat gebeurt er als je de melk en cola mengt?
    3. Als het een dag gewacht hebt, zie je dat er iets is gebeurd. Wat is er gebeurd?
    4. Hoe denk je dat dit gebeurd is?

    Meer weten?
    Het effect dat je hebt gezien heet stremmen. Onze bevriende hoedoeners hebben een leuke project waarmee je daar ook mee aan de slag kan. Als je cola en melk mengt, dan kan je niet meer terug. Dat komt omdat de twee vloeistoffen met elkaar reageren. Dat is niet altijd zo. Bij SchoolTV hebben ze een leuk filmpje gemaakt waarin ze laten zien Hoe je water en zout kan mengen en scheiden.

  • Smaken proeven

    Smaken proeven

    Met je oren kan je horen, met je neus kan je ruiken, maar wat kan je met je tong? Met je tong kan je proeven! Heel lang dachten mensen dat je met verschillende plekjes op je tong steeds andere dingen kan proeven. Maar nu weten ze dat niet meer zo zeker. In dit proefje dat je zelf onderzoeken welke smaken je met je tong proeft.

    Nodigsmaken proeven

    • 4 wattenstaafjes
    • 4 schoteltjes
    • 4 theelepels
    • 1 glas water
    • suiker
    • citroensap
    • koffie
    • zout

    Stappen
    Zet de suiker, citroensap, koffie en zout vast klaar. Doe met de theelepel een klein schepje op een schaaltje. Je hebt nu een schaaltje suiker, een schaaltje met citroensap, een schaaltje met wat koffie en een schaaltje met wat zout. De suiker is zoet, het citroensap zuur, de koffie bitter en het zout is zout.

    Pak het eerste wattenstaafje en haal hem door de suiker Zorg dat het er goed aan kleeft. Doe nu je mond open en tik met het wattenstaafje tegen de rechterkant van je tong. Doe dit daarna ook met de linkerkant van je tong, het puntje van je tong en achterop je tong. Ga daarna naar vraag 1.

    Als je klaar bent met vraag 1, kan je een slokje water nemen.

    Pak nu het tweede wattenstaafje en doop hem in het citroensap. Doe weer je mond open en ga met het wattenstaafje langs de vier delen van je tong: links, rechts, voor en achter. Geef daarna antwoord op vraag 2.

    Neem weer een slokje water en doe daarna het proefje weer met de koffie. Als je klaar bent met de koffie, ga je naar vraag 3.

    Voor je met het zout begint, neem je weer een slokje water. Je kan hierna met het wattenstaafje met zout over je tong gaan. Als je alle vier de delen van je tong hebt gehad, kan je vraag 4 beantwoorden.

    Als je klaar bent met het zout, drink dan de rest van het glas water leeg.

    Vragen

    1. Op welke deel van je tong smaakt de suiker het zoetst?
    2. Op welke deel van je tong smaakt de citroensap het zuurst?
    3. Op welke deel van je tong smaakt de koffie het bitterst?
    4. Op welke deel van je tong smaakt het zout het zoutst?

    Meer weten?
    De vier basissmaken zijn zoet, zuur, zout, bitter en umami. De eerste vier heb je net gehad. Op de website van WikiKids staat een overzicht van de verschillende smaken die er nu zijn.
    Er wordt gedacht dat er misschien meer basissmaken zijn. Onze vrienden van het wetenschapsblad Kijk, hebben een heel stuk over de smaak geschreven.

  • Kleurstof uit bladeren halen

    Kleurstof uit bladeren halen

    De meeste planten zijn groen. Maar ze zijn gelukkig niet allemaal van hetzelfde groen, dat zou ongelofelijk saai zijn. Wist je dat er in een plant zelfs drie verschillende kleurstoffen zitten? In dit leuke scheikundeproefje ga je de kleurstof uit de bladeren van een plant halen. In scheikunde heet dat: ‘extraheren’.

    Nodigkleurstof uit bladeren

    • 30 ml spiritus
    • 30 ml wasbenzine
    • actieve kool
    • een handvol verse bladeren
    • vuurvast schaaltje
    • 2 flesjes van minimaal 50 ml
    • vijzel
    • 5 koffiefilters
    • trechter
    • een kleine erlenmeyer (of reageerbuisje)

    Stappen
    Eerst gaan we de spiritus kleurloos maken. Maal de actieve kool fijn tot een poeder. Je kan hier het beste een vijzel voor gebruiken. Doe het actieve koolpoeder in een fles en schenk er de spiritus bij. Goed schudden en hierna door een koffiefilter schenken in de tweede fles. Om het echt goed kleurloos te krijgen kan je het wel drie keer door een koffiefilter schenken. Pak wel elke keer een schone filter.

    Maal nu in de vijzel de bladeren fijn. Als je geen vijzel hebt, kan je ze ook met een mes in hele, hele kleine stukjes snijden. Doe nu de gemalen blaadjes in het vuurvaste schaaltje en schenk er wat van de kleurloze spiritus bij. Om te zorgen dat de spiritus en de gemalen bladeren goed mengen moet je het bakje even verwarmen. Doe dit zachtjes en voorzichtig. Het hoeft niet heel lang, een paar minuten is genoeg.

    Als je het een paar minuten hebt verwarmd, kan je het van het vuur halen en laten afkoelen. Pak nu een nieuw koffiefilter en giet het met de koffiefilter in de trechter rustig in de erlenmeyer. Als de spiritus in de erlenmeyer zit, kan je de wasbenzine toevoegen. Zet de kurk op de erlenmeyer en schud goed.

    Als je klaar bent met schudden zet je de erlenmeyer even rustig neer. Als de vloeistoffen tot rust zijn gekomen zie je dat ze in tweeën zijn gesplitst. De bovenste laag met benzine is een andere kleur dan de spiritus beneden.

    Vragen

    1. Waarom denk je dat je eerst de spiritus kleurloos moet maken?
    2. Welke twee kleuren heb je op het eind over?
    3. Welke kleur zit boven?
    4. Welke kleur zit er beneden?
    5. Waarom denk je dat de ene kleur in benzine oplost en de andere in spiritus?

    Meer weten?
    We hebben net gezien dat er meerdere kleuren groen in een plant zitten? Maar waarom is een plant eigenlijk groen? Onze vriend Willem Wever heeft daar een heel goed antwoord op. Maar hoe zit dat dan in de herfst? Bij het Klokhuis hebben ze een filmpje gemaakt waarin ze laten zien waarom de bladeren verkleuren. De kleuren (die je normaal niet meteen ziet) zag je bij dit proefje onderaan in de spiritus wel zitten.

  • Zelf bacteriën kweken

    Zelf bacteriën kweken

    Weet je waarom je altijd voor het eten je handen moet wassen? Omdat er allemaal bacteriën opzitten. Bacteriën zijn zo klein dat je ze niet met het blote oog kan zien. Soms kan dat wel. In dit proefje leer je zelf een voedingsbodem maken en bacteriën kweken en gaan we kijken welke bacteriën er op je hand en in huis wonen.
    Voor dit proefje het maken van een voedingsbodem heb je wel de hulp van een volwassene nodig. Je moet namelijk werken met het fornuis in de keuken of de vlam van een bunsenbrander.

    Nodigbacteriën kweken

    • erlenmeyer van minimaal 100 ml
    • 100 ml water
    • 0,5 gram gistextract
    • 1 gram glucose
    • 1 gram eiwitpoeder
    • 1,5 gram agar
    • 5 petrischaaltjes van minimaal 20 ml
    • 5 wattenstaafjes
    • 1 dikke stift of marker

    Stappen
    Vul de erlenmeyer met 100 ml water. Weeg de gist, glucose, eiwitpoeder en agar goed af en voeg het toe aan het water in de erlenmeyer. Zet de erlenmeyer op het vuur en breng het geheel voorzichtig aan de kook. Als het kookt kan je het een paar minuten laten koken. Je kan hierna de erlenmeyer van het vuur halen en een beetje laten afkoelen. Niet teveel, want dan stolt de voedingsbodem in de erlenmeyer.

    Zet de 5 petrischaaltjes klaar met de deksel er op. Als de voedingsbodem is afgekoeld tot 55 graden (paar minuten) dan kan je de erlenmeyer beetpakken en haal je van het eerste petrischaaltje de deksel af en giet je er een mooie bodem in. Als je klaar bent doe je het dekseltje er weer op. Doe dit ook bij de andere 4 petrischaaltjes. Deksel er af, voedingsbodem gieten, deksel er op, volgende. Als je ze alle vijf gevuld hebt, kan je ze laten staan en verder laten afkoelen tot ze helemaal zijn afgekoeld. Je kan ze daarna in de koelkas zetten en wel 4 dagen bewaren.

    Als ze zijn afgekoeld. kan je in huis gaan zoeken naar sporen om bacteriën te kweken. Hiervoor heb je de wattenstaafjes nodig. bedenk 4 plekken in en om het huis waar je kan zoeken. Bijvoorbeeld de koelkast, de badkamer, je slaapkamer, de voordeur, de wc, je toetsenbord of de tuin.

    Zoek 4 plekken uit en neem een wattenstaafje mee. Wees wel voorzichtig dat je met je vingers niet het wattendeel aanraakt. Dan kommen er namelijk ook andere bacteriën op. Als je het wattenstaafje langs een plekje haalt waarvan jij denkt dat er bacteriën zitten, kan je gaan onderzoeken. Je neemt het wattenstaafje mee naar de voedingsbodem en wrijft een paar keer over de voedingsbodem. Niet te hard, want dan gaat de bodem kapot.

    Zet nu het dekseltje er weer op en schrijf met de dikke stift waar je de bacteriën gevonden hebt. Als je er vier gedaan hebt, is er nog 1 petrischaaltje over. Druk met twee vingers zachtjes aan de linkerkant in de voedingsbodem. Was je handen goed met zeep en duw nu twee gewassen vingers rechts in de voedingsbodem. Doe de deksel er weer op en schijf op: “vingers”.

    Zet de bakjes nu ergens in de schaduw. Ze moeten natuurlijk niet te veel in de weg staan, maar je moet ze ook niet vergeten. Je kan ze een week laten staan. Als je na een week weer bekijkt, zal je zien dat er bacteriën kweken.

    LET OP
    Als er eenmaal bacteriën kweken, mag je de petrischaaltjes niet meer open maken en al helemaal niet met je handen aan de bacteriën zitten. Als je ze bekeken hebt en de vragen hebt beantwoord, gooi je de bakjes, zonder ze open te maken, in de prullenbak.

    Vragen

    1. Zet de bakjes op volgorde van veel bacteriën naar weinig. Welk van de 5 petrischaaltjes heeft de meeste bacteriën?
    2. Waar heb je de bacteriën gevonden?
    3. Waarom denk je dat er veel bacteriën op die plek wonen?
    4. Kijk eens naar je vingerafdrukken. Wat is het verschil tussen de gewone vingerafdrukken en die van je gewassen handen?
    5. Waarom denk je dat je je handen moet wassen als je naar de wc bent geweest, of voordat je gaat eten?

    Meer weten?
    In een bakje wonen maar een paar bacteriën. Bij Micropia in Amsterdam hebben ze heel veel onzichtbare microben. Maar het leuke is dat je ze daar wel kan zien. Als je wil zien hoe de bacteriën groeien, kan je een kijken naar dit filmpje van SchoolTV. Daarin laten ze zien hoe bacteriën en schimmels je eten opeten.

    Als je klaar bent met bacteriën kweken, kan je ze ook met de microscoop bekijken. In het proefje leven in de sloot leer je de eerste stappen van het werken met een microscoop. Naast diertjes uit de sloot kan je met de microscoop ook goed bacteriën onderzoeken.

  • Maak een bijenhotel

    Maak een bijenhotel

    Bijen zijn superbelangrijk voor de tuin. Ze helpen met het bestuiven van planten en bloemen. Om te zorgen dat bijen kunnen uitrusten na het harde werken, kan je een bijenhotel maken. Het is een leuk biologieproefje waarbij je meer over bijen leert en ook nog eens lekker kan knutselen.

    Nodigmaak een bijenhotel

    • blok hout
    • potlood
    • boormachine
    • verschillende diktes houtboortjes
    • kompas

    Stappen
    Als je een mooi plek in de tuin gevonden hebt, kan je aan de slag. Zorg wel dat je een plekje hebt dat vlakbij bloemen of planten staat die nectar en stuifmeel hebben. Als een bij niet in de buurt van het bijenhotel kan eten, komen ze natuurlijk ook niet slapen. Let ook op dat je de opening naar het zuiden kan richten. Gebruik hiervoor het kompas.

    Pak je blok en kijk goed wat de voorkant moet worden. Als je dat weet, kan je met je potlood wat rondjes tekenen. Zorg dat ze een beetje uit elkaar liggen. Het hoeft niet heel netjes op een rij, zet een rondje neer waar je het zelf leuk vindt. Het is jouw bijenhotel, dus je mag zelf bedenken hoe het er uit gaat zien.

    Leg het blok neer en pak de boormachine. Misschien moet iemand je hier even bij helpen. Zorg in ieder geval altijd dat de stekker er uit is als je de boortjes vervangt.
    Kies een boortje uit (niet te dun) en kies een paar rondjes op het blok om uit te boren. Als je er een paar gedaan hebt, kan je met een ander boortje (dikker of dunner) nog wat rondjes doen. Zo ga je door tot je een vrolijk bijenhotel maakt met dikke en dunne gaatjes.

    Ze het blok nu op de plek je hebt uitgezocht. Je kan hem natuurlijk ook ophangen of er een paal aan vast timmeren. Als je een goede plek hebt uitgezocht voor je bijenhotel komen de bijen vanzelf bij je langs.

    Meer weten?
    Bijen zijn er in heel veel soorten en maten. Op de website van de Nederlandse Bijen kan je precies vinden welke er bij jouw in de buurt wonen en van welke bloemen ze houden. Dat is echt heel handig als je graag bijen in je bijenhotel wil hebben.
    Er zijn in Nederland heel veel mensen die bijen houden als hobby. Mensen die bijen houden heten imkers en ze zitten echt over het hele land verspreid. Als je een keer bij een imker wil kijken kan dat meestal wel. Op de imker-website kan je zien waar er in jouw buurt imkers werken en bijen wonen.